…Dag Pa…

voor Anaï

Mijn dochter had mijn vorige blog gelezen en vond hem te kort. Waarom, vroeg ik haar. Ze had een beschrijving verwacht van het afscheid, het lange gesprek wat mijn vader en ik hadden tijdens zijn laatste ziekenhuisopname. Ik vertelde haar dat dat daarvoor was, ik weet niet meer precies hoeveel tijd daar precies tussen zat, maar dat was voor de infectie in mijn duim, want ik weet nog goed, die was net genezen, ik was net weer een week aan het werk, toen hij overleed. En dat was eind maart. Dus waarschijnlijk is hij in januari opgenomen. Het doet er ook niet toe. Lieve Dochter, dit blog is voor jou. Ik hoop dat het aan jouw wensen voldoet.

Tijdens mijn opleiding tot IC verpleegkundige ging er nogal eens iets mis met de planning van de theorie dagen. Deze werden gegeven in het grote Erasmus Medisch Centrum en ik reisde daar dan heen per trein. Dit keer was er weer een fout gemaakt. Ik moest naar het Erasmus MC op maandag ochtend, terwijl ik op zondag ook in de nachtdienst gepland stond. Ik had geen zin in gezeik en daar ik toch de status van beton had, omdat ik vaak weinig sliep, besloot ik gewoon na mijn nachtdienst naar Rotterdam te reizen. Dat redde ik wel. Ik sloeg wel vaker een dag slaap over. (doe ik nog steeds, ik blijf de man van beton). Dus na mijn dienst, vlug omkleden, naar mijn fiets en racete naar huis.

Ik heb al vaker geschreven dat mijn vader ziek was. Hij was ziek gedurende mijn hele IC opleiding en helaas heeft hij mijn diplomering niet gehaald. Ik kwam die maandag ochtend thuis en was net binnen toen mijn stiefmoeder belde. Pa voelde zich niet lekker. Dat hadden we al vaker meegemaakt, hij had zijn maandelijkse longontstekingen, omdat zijn linkerlong was doodbestraald, die stond gewoon stil en ventileerde niet meer, zodat bacteriën daar heerlijk vrij spel hadden, dus ik dacht dat dat weer het geval was. Ik naar mijn vader toe, mijn ouderlijk huis stond bij ons om de hoek, erg handig in gevallen van ziekte en oppas. Bij mijn vader aangekomen trof ik hem erg kortademig aan. Hij voelde zich niet lekker. Had geen koorts, maar was wel erg kortademig en enorm moe. Hij zag er erg slecht uit, maar anders als bij zijn maandelijkse longontstekingen. Ik belde de huisarts. Hij nam zelf op. Ik legde de situatie uit. Hij vertelde mij dat hij met zijn huisbezoeken ging beginnen, of hij eerst naar mijn vader moest komen. Ik zei hem dat ik dat graag had, ik vertrouwde mijn vader niet. Deze huisarts had ook mijn moeder eens onder zijn hoede gehad. Hij was toen net als huisarts bij ons in de straat begonnen toen mijn moeder ziek was. Deze huisarts had veel lief en leed meegemaakt met onze familie. Dat maakte het praten echt wel gemakkelijker. Hij wist dat mijn vader geen aansteller was en ik niet gauw overdreef. Mijn vader zag er ziek uit en ik wist dat het bij hem intern ook allang niet meer goed zat. De tumoren in zijn longen waren onrustig, dus we wisten dat het snel afgelopen kon zijn. Was dat moment nu gekomen?

De huisarts arriveerde. Voelde de pols van mijn vader. Snel en onregelmatig. Daar had ik niet eens aan gedacht. Ik de IC/CCU verpleegkundige in wording, had vergeten de pols te voelen. Ik die dagelijks werkte met hartritmes. Ik had het meest basale vergeten te checken. Ik voelde me meteen heel dom. Ik merkte toen dat er een verschil was tussen aan het bed en in het bed. Ik was nu geen verpleegkundige, ik was een zoon. Een bezorgde zoon. Mijn vader had waarschijnlijk boezemfibrilleren. De huisarts belde het ziekenhuis en wij pakten wat spullen en reden naar de spoedeisende hulp. Ondertussen belde ik mijn werk dat ik die dag niet naar school ging. Het was weer zover, Pa lag slecht.

Op de spoedeisende hulp werd boezemfibrileren geconstateerd. Niet eens met zo’n hoge frequentie, maar de conditie van mijn vader kon niet veel meer hebben. Voor mij het bewijs dat het lichaam aan het eind begon te raken. Het boezemfibrilleren stopte vanzelf en daarna voelde mijn vader zich meteen een stukje beter. Echter de longarts besloot mijn vader op te nemen ter observatie op de longafdeling.

Toen ik later die week weer aan het werk ging, ik had een vroege dienst, arriveerde ik op de intensive care. Mijn collega’s wachtten me aldaar op. M, onze planner en één van mijn begeleiders (de enige vrouw van de vier) keek me aan en vertelde me dat ik maar boven moest gaan werken, dat mijn patiënt daar lag. Met boven bedoelde ze de longafdeling, ik moest van mijn collega’s maar voor mijn vader gaan zorgen. Ik kreeg het er koud van. Ik stamelde nog zoiets van, “maar en jullie dan?”.. er werd geen tegenspraak geduld. Deze broeder moest voor zijn vader gaan zorgen. Nog immer word ik emotioneel als ik aan dat moment terugdenk. Ik vond dat zo’n lief gebaar. Zo meelevend. Verbazingwekkend. Dat ik dat verdiende. Ik dus naar boven. Eens lang geleden was mijn verpleegkundige carrière op die afdeling begonnen, veel collega’s van toen werkten daar nog. Ik liep de verpleegpost binnen en vertelde dat ik voor mijn vader ging zorgen. Daar bedoelde ik de directe patiënten zorg mee. Ik zou geen visite gaan lopen en zou ook geen medicijnen gaan geven. Dat liet ik aan mijn collega’s over.

Mijn vader was blij verheugd. Hij was al zo trots op zijn verpleegkundige zoon en nu had hij zijn privé zuster. Ja het was bijzonder. We zijn samen de badkamer in geweest, ik heb mijn vader gewassen en ben verder de hele dag bij hem op de kamer geweest. Ook als hij sliep. Het voelde heel intiem. Ik zat daar aan de grote vensterbank en mijn vader sliep. We hadden ook wat gesprekken, maar meeste gingen over koetjes en kalfjes. Hij knapte lekker op en werd ingesteld op medicatie voor zijn hart. Eerlijk is eerlijk, wat ze allemaal precies onderzocht hebben die dagen weet ik niet. Ik heb één dag voor hem gezorgd, de rest van de week werkte ik gewoon op de IC en ging ik in mijn pauzes naar hem toe.

De week vloog voorbij. Op zondagmiddag was ik niet thuis, ik geloof dat ik bij een concert of festival was of zoiets dergelijks. Bij thuiskomst stond mijn stiefmoeder op het antwoordapparaat dat mijn vader weer een ritme stoornis had gehad en dat het heel slecht met hem ging. Ik direct naar het ziekenhuis. Mijn vader had weer een aanval gehad van atriumfibrilleren, boezemfibrilleren en hij had even heel slecht gelegen, maar was er weer bovenop gekomen, nu wel met zichtbare vermoeidheid en…ik kan het niet uitleggen, met iets van verslagenheid over hem heen. Zijn grenzeloze optimisme leek gebroken. Mijn stiefmoeder ging naar huis met mijn zussen en ik bleef achter bij pa. Daar zaten we dan. Hij lag op bed, hoofd diep in  het kussen, ogen starend naar het plafond. We wisten dat de strijd gestreden was. Raar gevoel. Hij ging niet dood, nou ja, dat ging hij wel, maar niet nu en toch wisten we dat dat moment nu echt wel ging komen binnenkort. “Ik dacht echt dat het over was” zuchtte mijn Pa. “ik heb me nooit zo benauwd gevoeld” Ik wist even niet veel te zeggen. Ik weet ook niet meer wat ik heb geantwoord..

“Heb ik dingen fout gedaan?” vroeg hij mij. “Heb ik misschien zaken anders moeten aanpakken toen je moeder net gestorven was? Had Wim dan misschien nog geleefd?” We keken elkaar aan. Ik zei hem dat voor zulke scenario’s geen handleiding is en dat we doen wat ons goed lijkt. Achteraf is het zo gemakkelijk oordelen, maar als man van 40 achterblijven met twee kinderen, daar is geen handboek voor geschreven helaas. We hadden allemaal verdriet toen en het leven was een puinhoop. Hij heeft gedaan wat hij kon, met de beste bedoelingen. Ik heb hem dat ook gezegd. Dat hij gedaan heeft wat hem goed leek. “Ik vind het zo erg voor jou” zei hij ook. “Ik laat je alleen” Geeft niet Pa, dat overleef ik wel”, antwoordde ik hem,  “jij moet door die deur heen, ik blijf hier. Jij gaat dood” We keken elkaar weer aan. Begrip en liefde. We wisten dat het goed zat. “ik zal op mijn zussen passen” beloofde ik hem, “zal zorgen dat ze niets overkomt” Ik maakte hem duidelijk dat ik er altijd voor mijn zussen zal zijn.

Toen vroeg ik hem wat we moesten doen als zoiets weer ging gebeuren. Of erger. Ik vroeg hem of hij nog gereanimeerd wilde worden. “soms, als de natuur de deuren van het hiernamaals open zet, kun je er beter doorheen lopen” zo legde ik het mijn vader uit. Hij was een lichamelijk wrak, het was bijzonder dat hij zover al was gekomen, maar nu was het klaar. De dood stond al achter hem en wachtte zijn moment af. Zijn schaduw nam al wat warmte weg, zijn kilte was duidelijk voelbaar. Mijn vader was het met me eens, niet meer reanimeren, dat had geen zin meer. Dan zou het leven echt lijden gaan worden.

“Het is goed pa” maakte ik hem duidelijk. Hij maakte het mij duidelijk dat hij het erg vond dat hij mij achterliet, ik maakte hem duidelijk dat ik het erg vond dat hij door die deur moest gaan. Ik had hem een langer leven gegund, maar het zat er niet meer in. De reis kwam aan zijn einde. We haalden nog herinneringen op aan vroeger, aan mijn broer, aan mijn moeder. We namen afscheid. De dood was nog niet hier. Mijn vader bood zijn excuses aan voor alles wat hij niet goed gedaan had, ik aanvaarde die en zei hem dat ik hem niets verweet. Hij had het zo goed mogelijk willen doen. Hij was gewoon mens net zoals iedereen. We maken fouten. Maar zolang we daar verantwoordelijkheid voor nemen, bijsturen en ons best blijven doen, is het goed.

We spraken zo een paar uur. Daarna was het klaar. We zijn er nooit meer op terug gekomen. De dag erna werd het niet reanimeren gedocumenteerd. De longarts wilde het zelf ook al voorstellen. Mijn vader bleef nog een week in het ziekenhuis en ging toen naar huis. Weer thuis merkten we allemaal en hij ook, dat er veel conditie was ingeleverd. Liep hij voor de ziekenhuis opname nog de trap op en af, nu lukte hem dat conditioneel niet vaak meer.

Ik was heel blij met dit afscheid. Het maakte het voor mij makkelijker om het definitieve afscheid te verwerken.

Dochterlief, ik hoop dat ik aan jouw verwachtingen heb voldaan. Wens je veel leesplezier en hoop dat je gevonden hebt wat je wilde vinden.

En Pa, ik hoop dat je meekrijgt dat je kinderen en kleinkinderen nog altijd met veel liefde aan je denken.

Dag Pa

pa 2

 

 

Advertenties

…had Ik maar een beetje meer Lucht…

voor André, ik zal je woorden nooit vergeten.

-Lang geleden, rond deze tijd, februari 2004, werd ik op een woensdagochtend wakker met een rode dikke duim. Op zich was dat niet zo erg, maar het kloppende gevaarte deed nog veel pijn ook. Heel veel pijn. En die avond zou ik de nachtdienst ingaan. Ik wist niet wat te doen. Duim deed echt heel veel pijn. Kon ik wel werken? Ik twijfelde. Ik wist het eigenlijk niet. Huisarts gebeld. Ik kon morgen terecht. Daar had ik niets aan. Toen maar de Spoed Eisende Hulp gebeld van mijn eigen ziekenhuis. Situatie uitgelegd, dikke duim, nachtdienst, kon ik wel werken, ze snapten me en ik mocht langskomen.

Op de Spoed Eisende Hulp werd ik gezien door een chirurg. Hij keek en trok al snel een conclusie. Er zat waarschijnlijk een infectie in, antibiotica slikken en af wachten. Of ik kon werken? Ja, maar wel rustig aan doen. Duidelijk. Ik mocht gaan werken, maar niet te hard. Rustig aan doen. Op een IC in de nacht. Onzinnig advies. Nou ja, hij was dokter en ik niet, dus ik deed niet moeilijk en ging braaf naar mijn nachtdienst. Ik kwam dus terecht in een rete drukke nachtdienst. Tijdens een noodsituatie gaf een collega een infuus spike aan mij, die raakte mijn grote rode kloppende duim en ik verging van de pijn. Hij had me niet eens echt geraakt. Tijdens de overdracht zei één van de vroege diensten dat ik er wel erg wit uitzag. Zo voelde ik me ook. Ik verging van de pijn en het trok helemaal door mijn buik. Misselijk gewoon van de pijn. Ik besloot me ziek te melden.

Na een week stagnatie besloot ik weer te gaan werken. Ik wist eigenlijk niet goed wat te doen. Ding deed pijn, maar ook weer niet zo, en toch ook weer wel. Was nog immer rood en dik. Zat weinig vooruitgang in. Antibiotica kuur werd verlengd. Op zaterdag ging ik weer aan het werk. Op zondag begon de pijn te groeien tijdens de vroege dienst. Kloppen, rood, pijn. Aan het eind van die dienst kwam een collega naar me toe. Een collega met veel dienstjaren op ic en ambulance, een collega die ik al lang kende, een collega waar ik erg tegenop keek. Hij zei tegen mij (ik zal die woorden nooit vergeten):”je gaat nu naar de SEH, ga naar de poortarts en zeg dat ze je duim openmaakt” Mijn reactie was meteen, dat ik dan niet meer mocht werken. Dit wegens de open geinfecteerde wond. De planster stond ondertussen naast hem en verzekerde mij dat dat mijn probleem niet was. Een detail, het was carnavals zondag, de dag van de kinderoptocht, mijn gezin was in de stad, deze brakkensliert aanschouwend.

Ik naar de poortarts. Ik vertelde haar wat ik van mijn collega opgedragen had. Ze keek me verbaasd aan. “laat eens zien” Ik toonde haar mijn duim. Ze zuchtte. Ik moest haar volgen naar een kamertje. Moest op de brancard liggen. Ik gehoorzaamde braaf. Ik vond het allemaal eigenlijk te bizar voor woorden. Er werd lidocaine opgezogen(lidocaine is een locaal verdovings middel). Deze spuit werd voorzien van een groene naald. Deze naald werd vervolgens in mijn duim gezet. Deze duim was gezwollen, rood en klopte enorm. De lidocaine werd in het weefsel van mijn duim gespoten. Er was daar geen plek voor extra vloeistof dacht ik nog. De pijn groeide. Het kloppen nam groteste ondraagelijke proporties aan. Ik voelde de pijn enorm aanzwellen. En toen verdween de pijn. Eigenlijk het gevoel in mijn hele lichaam. “Sterk spul” zei ik bazelend hard en het aanwezige personeel draaide zich om en keek naar mij. Ik denk dat ik er wit uitzag ofzo, ik voelde me licht en draaierig. Brancard werd in trendelenburg gezet (voeteneinde omhoog, om zo meer bloed naar het hoofd te laten stromen) en er werd een bloeddruk gemeten. Dat laatste weet ik niet eens meer zeker. Ik was op dat moment in een wazige staat van zijn. Ik hoorde de arts een stuk nagel uit mijn duim trekken. Ik voelde het niet, maar hoorde de nagel scheuren. “Dit maak ik ook open” hoorde ik de poortarts daarna zeggen. Toen ik keek, sneed ze met een scalpel de zijkant van het topje van mijn duim open. Ik zag het mes mijn huid klieven, als een warm mes door boter. Het bloed stroomde er direct mooi helder en donker uit. Van beide wonden werden kweken genomen. Daarna werd alles in een prachtig verband gestopt en kreeg ik de opdracht om het twee keer per dag te wisselen.

Na deze behandeling had ik verzonnen naar huis te lopen. Was niet ver en zoals ik al had geschreven mijn familie was naar de optocht in de stad. Ze zouden ondertussen wel weer thuis zijn, maar de kids waren toen nog jong en na zo’n optocht best moe en er was bezoek, ook met kinderen..nou ja, ik wilde niemand lastig vallen. Echter toen ik door de gang van de SEH liep, merkte ik dat ik toch ietwat licht in mijn hoofd was. Een beetje waggelde en dat het misschien toch wel goed was om even naar huis te bellen dat ze me kwamen halen. Ik had natuurlijk verder nog niemand op de hoogte gebracht dat mijn duim opengesneden was en dat ik met een dik verband in een mitella liep. En dat allemaal door twee kleine wondjes. Mijn echtgenote was inderdaad verbaasd en het lukte me door mijn staat van zijn ook niet direct om haar helder uit te leggen wat er was gebeurt, maar uiteindelijk begreep ze het half en kwam me ophalen.

Tot zover de inleiding. Ik zal jullie niet verder vervelen met de martelgang van het tweemaal daags verschonen van het verband, dat de gazen, inclusief het vetgaasje-de unitule (voor vakzusters en broeders), diep vast zaten in de korsten, dat ik met tranen van de pijn over mijn wangen de gaasjes millimeter voor millimeter los”weekte met water, dat ik chronische diarree kreeg van de antibiotica en dat ik mezelf belachelijk vond, met arm in mitella, maar dat ik het toch maar deed omdat anders mijn duim weer enorm ging kloppen en dat was toch wel zo pijnlijk, om er dan maar belachelijk bij te lopen en de vragen of ik mijn arm gebroken  had op de wintersport maar braaf aanhoorde en beantwoordde. (iedereen die mij kent weet dat ik een hekel heb aan wintersport, dus die vragen waren op zich al belachelijk).

Maar ik wilde hiernaar toe. Mijn vader was ziek. Al meer dan een jaar. Longkanker en op het moment van dit verhaal was hij vet terminaal. Uitzaaiingen in rug, bot en andere long en weet ik veel waar nog meer. Zijn hart begon het nu ook moeilijk te krijgen. Hij was in de maand daarvoor opgenomen geweest met Atriumfibrilleren (boezemfibrileren) in een milde vorm, maar hij ging er bijna dood aan. Voor mij een teken dat het nu echt wel op was. Hij kon ook niet meer de trap af naar beneden. Hij bewoog tussen zijn bed en de eettafel die daarnaast was geplaatst. (voordeel van in een groot huis wonen, de kamers zijn groot). Hij zat continue aan de zuurstof (met een slang van 12 meter lang, ja we kunnen discussiëren over de effectiviteit van deze therapie) en leefde op zuustof saturaties (zegt iets over de zuurstof opname van het longen) die in mijn beleving nauwelijks met het leven verenigbaar waren. Natuurlijk had hij een niet reanimeren verklaring. Aan deze man was geen eer meer te behalen. Hij zat al maanden in zijn reserve tijd. Ik had hem, toen het geconstateerd werd, niet lang gegeven, ondertussen waren we al anderhalf jaar verder. Ik ging bijna geloven dat dit medisch wonder niet te stoppen was. Elke maand had hij een longontsteking, elke maand dachten we dat het voorbij was, en elke maand dezelfde antibiotica en wat prednison en voìla, pa deed het weer. Ik durfde op mijn werk niet meer te bellen dat het slecht ging, want de dag erna was het weer alsof er niets aan de hand was. Dit stuk onkruid was niet kapot te krijgen.

Het voordeel van deze genfecteerde duim was, dat ik dus niet mocht werken. Los van de tweedaagse martelgang van de verbandwissel, kwam dat eigenlijk wel goed uit, want zo kon ik dagelijks even bij mijn pa binnenwandelen. Lang bezoek kon hij niet meer hebben, dus zo kon ik regelmatig even binnenwippen, plaats nemen aan de eettafel op zijn kamer en even met de man praten. Hij vond het zo erg voor mij. Ik kon immers niet fietsen en moest lopend naar de controle in het ziekenhuis. Had hij nu maar wat meer lucht, dan kon hij me even brengen. Ja zo zaten we regelmatig aan die tafel. De stervende die medelijden had met iemand met twee sneetjes in zijn duim. Het was zijn vaderlijke bezorgdheid, zijn liefde voor zijn zoon, waar hij graag voor klaar stond. Ja Pa. Dat waren bijzondere momenten. Ik maar zeggen, dat komt goed pa, ik heb toch niets beters te doen.

Ik ben achteraf erg dankbaar voor deze geïnfecteerde duim. Ik heb zo nog wat bijzondere momenten met mijn vader mogen meemaken. Ik heb zo zijn liefde nog mogen ervaren. Zijn al eerder benoemde vaderlijke bezorgdheid. Dat is een mooie eigenschap. Ik hoop dat mijn kinderen dat later ook over mij zullen zeggen.

En de duim? Na drie weken waren de wonden dicht. Uit de kweken kwam een Ileobacter, een darmbacterie, waarschijnlijk van een patiënt opgelopen. Ik kon me inderdaad herinneren dat tijdens het verschonen van een patiënt een keer mijn handschoen was gescheurd. Maar het kan net zo goed ergens anders mijn duim zijn binnengedrongen. Deze ileobacter was ook resistent voor Augmentin. Deze had ik dus wekenlang voor niets geslikt.

Een week nadat ik weer aan het werk was gegaan overleed mijn vader.

pa 3

…From Senegal…

Het is al lang geleden. Weet niet meer precies hoeveel jaar. Ik denk 2006. Ik weet het niet meer zeker. Maar ik ben haar nooit vergeten en zal haar ook nooit vergeten, de Senegalese vrouw die ik op de CCU heb verpleegd. Ze was geboren in 1969, twee jaar jonger als ik. Een mooie vrouw, goed verzorgd, goed figuur, edel gezicht. Ze was illegaal hier in Nederland. Ze was ooit met mensen smokkelaars naar ons land gekomen, had ik gelezen in de anamnese. Ze had het daar zwaar waarschijnlijk. Ze had daar ook HIV opgelopen, wat zich ondertussen had ontpopt tot AIDS, maar daarover later meer.

De mensensmokkelaars hadden haar hier in de prostitutie geduwd. Op een flatje, heeft zij mannen mogen ontvangen en heeft ze daar geld mee verdiend, door haar lichaam te laten misbruiken. Ze zat daar opgesloten. Gevangen door misdadigers die haar haar reis lieten terugverdienen, iets wat haar waarschijnlijk nooit zou gaan lukken.

De politie had een inval gedaan. Had haar gearresteerd. In het verslag van de gevangenis stond dat ze toen opleefde. Ze voelde zich vrij. Kunt u zich voorstellen, haar leven was dus zo vrolijk geweest, dat ze zich vrij voelde in de gevangenis. Ze ontpopte zich daar tot een creatieve sociale gevangene die positief bijdroeg aan de gevangenis sfeer. Zo stond het min of meer in de overdracht van de gevangenis naar het ziekenhuis. Echter in de gevangenis brak de AIDS door en dat had haar naar mijn ziekenhuis gebracht. Eerst op de long afdeling, een longontsteking door de AIDS. Tijdens opname in een reanimatie setting geschoten, haar hart stopte ermee, en vervolgens bij ons op de CCU terecht gekomen. Aan de beademing.

Ze werd niet wakker.

Ik had die zondag de zorg over haar. En net zoals altijd begon ik met de lichamelijke verzorging. Ik sloeg het laken terug. Trok haar ziekenhuis hemd uit. Legde een handdoek over haar heen. En begon met mijn was ritueel. Ik raakte haar aan. En er gebeurde iets wat mij nog nooit eerder was overkomen. En eerlijk is eerlijk, ik had ook nog nooit een afrikaanse, zwarte patiënt verpleegd. Haar huid drong door tot voorbij mijn intieme ruimte. Ik voelde een band. Hoe kwam dit? Ik was toen getrouwd met een Antilliaanse. Zij was ook zwart. Deze huid voelde hetzelfde aan als de huid van mijn vrouw. Ik had daar een hele andere associatie mee. Dit was voor mij nieuw. En eng. Dit voelde vertrouwd. Net zoals de vrouw waarmee ik elke avond in bed lag. Een emotie die ik niet wilde delen met een patiënt. Ik voelde een band met deze vrouw. Een band waar ik niet op zat te wachten. Natuurlijk was ik professioneel genoeg om hier snel van te herstellen en mijn werk af te maken. Maar toch…

Tijdens de visite bleek dat haar nieren het niet meer deden. Ze zou aan de CVVH moeten. Tijdelijke nierdialyse, een variant die op de IC gedaan werd. Echter er was maar één apparaat en de patiënt op de kamer ernaast, een oudere dame, had ook niet werkende nieren. Er moest voor nu gekozen worden. De dame hiernaast was oud, had echter nog wel een kans. Maar ja, deze jongedame had AIDS, in een zeer ver gevorderd stadium, haar kansen op overleving waren nihil, eigenlijk nul. Moesten we haar wel wakker laten worden. Als dit überhaupt al zou lukken. Ze zou wakker worden om vervolgens een langzame vervelende dood tegemoet te zien. Hier in dit land, ver van haar moederland zonder familie en vrienden. Want ze had immers altijd opgesloten gezeten en dus geen sociaal netwerk opgebouwd. En haar medegevangenen konden niet op bezoek komen.

Er werd overleg gepleegd. Met onder andere het Academisch ziekenhuis, waar ze ook bekend was en met haar hoofdbehandelaar hier in ons ziekenhuis. De arts en ik hadden het goed ingeschat. Ze had geen kans. De AIDS was te ver gevorderd. Besloten werd om haar geen CVVH te geven en haar te laten sterven. Er was een nummer van een Oom in Parijs. Ook illegaal waarschijnlijk. Hij beloofde te komen, maar kwam nooit.

Ik haalde haar van de beademing. Ze had het niet eens door. Onbeweeglijk bleef ze liggen. De natuur mocht zijn werk doen. Toen ik aan het eind van mijn dienst naar huis ging, leefde ze nog. Nauwelijks, maar ze ademde nog. Ze zou sterven op deze kamer. Alleen, ver van huis, met ouders die waarschijnlijk de illusie hadden dat hun dochter het nu goed had in Nederland. Of wisten wat er loos was, maar er niets aan konden doen.

Thuis stak ik een kaarsje voor haar op. Bij het beeldje van de Afrikaanse Godin Yemanje. De oermoeder. De godin van de zee. De zee waaruit het leven aan land is gekropen. Ik vond dit passend. Laten we hopen dat zij zich om deze jonge vrouw ging ontfermen. Haar weer terugnam in haar liefde.

Rond vier uur ging dit kaarsje uit. Ik wist genoeg.

yemanja

Yemanje links in het blauw

…Lang zal ie leven…waar dan ook…

Lang lang geleden, in een ander universum, een parallelle wereld, in een werkelijkheid die soms een droom lijkt, heb ik ooit een broertje gehad. Wim was zijn naam. Vandaag zou hij 44 geworden zijn. Nu al bijna 18 jaar uit mijn aards bestaan. een oneindige leegte achterlatend.
Mijn zus postte gisteren een post die ik in 2016 geschreven heb en daardoor werd ik er weer even aan herinnerd. las mijn eigen woorden en was ervan onder de indruk. Tsja, dat krijg je als je veel schrijft, dan vergeet je af en toe wat je twee jaar geleden geschreven hebt. Broer, ik weet dat je bestaan hebt, Broer ik weet dat je hier bent in mij om mij en samen met ons. Broer ik voel ook je angst maar ook je drive voor het leven. Het leven is soms een kwelling, een martelgang, een opéénstapeling van tegenslag en ellende…maar jij had toch ook als geen ander moeten weten dat er ook zoveel moois was. jouw geboorte was al een wonder. Onze Moeder heeft maanden lang het bed moeten houden om jou vast te houden, dagelijkse injecties moeten ondergaan om jou hier op aarde te kunnen neerzetten. zoals Vader het ooit zo mooi stelde: “als er één kind gewenst was, was hij het wel”.
Ja zo was het. soms denk ik ook, misschien was het wel moeder natuur die dwars lag. Zij wilde je niet hier op aard en heeft zij je wel zo dwars gezeten dat je uiteindelijk haar haar zin hebt gegeven. Ze was vast een mooie vrouw, want die kon je nooit weerstaan. ik verwacht dat jij nu dat antwoord weet, vertel het me maar als we elkaar wederzien.. Vertel me dan ook hoe je vond dat ik en je zussen het hebben gedaan zo zonder jou. Zonder jou kennis van vette happen, slechte films en al die andere onzin die ik helaas nooit van anderen hoor. Ik mis ook de rugdekking die we elkaar gaven. De filmtips. de gesprekken…maar zoals ik al stelde, je lijkt meer en meer te hebben bestaan in een ander universum, een parallelle wereld, in een andere werkelijkheid, misschien wel in een ander leven…Broer ook al bestaat de tijd niet meer voor jou, ik wens je een toffe verjaardag en dat proosten dat doen we bij het wederzien…

wim

…De Jongerenkoren…

Ja u leest het goed. Jongerenkoren. Mijn ouders waren katholiek en erg fanatiek. Mijn vader hield zich in Den Haag al bezig met jongerenkoren. Ik kan me er weinig van herinneren, alleen dat het vooral jonge meisjes waren die er erg hip uitzagen. Korte jurkjes en hoge laarsjes. Op de één of andere manier is me dat altijd wel bij gebleven. Het heeft er zelfs toe geleidt, dat ik er toen op driejarige leeftijd zo levendig over droomde, dat ik die droom nooit vergeten ben en dat die droom me ook mede heeft geïnspireerd om me later met dromen fanatiek bezig te houden.

mijn droom: ik liep de kamer van mijn Oom in en liep naar het raam. Aldaar had ik een mooi zicht op het water in de singel. Ik kon de bodem zien. Toen zag ik de dames van het jongerenkoor aan zwemmen als sirenen. Waternimfen. Ze voerden een ballet op daar op de bodem van de singel. Het was betoverend. Ze hadden mij in hun greep.

Let wel ik was pas drie. Of jonger.

Later in Rozenburg heeft mijn vader het weer voor elkaar gekregen om een jongerenkoor op te richten. Soms denk ik dat mijn vader zich graag omringde met jonge knappe meisjes. Het is maar een gedachte. Het was een knappe leuke kerel boordevol ideeën. Het jongerenkoor in Rozenburg was een succes. Ik kan me nog diverse feestavonden herinneren. Ik weet soms ook niet wat ik daar deed, maar ik denk dat ik het net als mijn vader leuk vond om me tussen die jonge meiden te begeven. Er zaten ook wel jongens tussen, maar ja, ach..die hoorden erbij.

Het kan ook best zijn dat mijn vader dit uit overtuiging deed. Hij wilde de kerk toegankelijk maken voor iedereen, dus ook voor de jeugd. Hij wilde ze aanspreken met moderne muziek en heldere nederlandstalige teksten. Dat is hem dan ook goed gelukt. Later in Breda is dat niet gelukt. Aldaar kwamen we in een zeer conservatieve parochie terecht alwaar hij niet altijd zijn ideeën kon uitvoeren. Mijn moeder heeft nog wel een kinderkoortje opgericht. Alwaar ik ook even in heb gezongen, echter ik was er al snel klaar mee. Ik kan niet zo goed zingen en ik vond het ook niet leuk. Mijn moeder was in Breda meer bezig met kerk en gezin in praktische zin dan mijn vader. Mijn vader hield zich meer bezig met de bestuurlijke kant van de parochie.

Maar van de jongerenkoren gingen we in Breda naar de gezinsdiensten. Die werden mede georganiseerd door mijn moeder. Teksten en liederen in een opzet voor het hele gezin. Ik kan u vertellen ik keek liever naar de dames van de eerder genoemde jongerenkoren. Maar dat was dus in Breda een hoofdstuk wat gesloten werd. Er werd in Breda nog wel meer gesloten. Maar dat komt later…..

24899096_10155250128691819_85598132_n

foto: van mij tijdens de periode van de Haagse jongerenkoren..

…Er was eens: België…

Zoals ik in mijn vorig stukje al schreef, wilde mijn vader mij graag weghalen uit de omgeving waarin ik mijn eerste levensjaren heb doorgebracht. Mijn vader vond het toch niet zo’n goed idee om zijn prachtige zoon op te laten groeien tenmidden van kinderen van prostitués, helers, pooiers en scharrelaars. Ik geloof nu niet dat ik daar nu echt mee zat, maar hij wel. Dus hij had een huis gekocht in Rozenburg. Maar dat moest eerst gebouwd worden. Gelukkig stuurde zijn werk hem naar Everberg, vlak bij Brussel. Ja Brussel in België. We gingen naar het buitenland. Het werk van mijn vader had voor woonruimte gezorgd. Een prachtige villa op een heuvel op het Belgische platteland, met een lap grond erom heen, die ik nooit meer zo geëvenaard heb mogen zien. (een tuintje van 12 x 4 meter is echt armoede sindsdien). Om een beeld te geven: er zijn barbecue feestjes geweest waarbij mijn vader de spullen met de auto naar de feestplek halverwege de tuin reed. Onze tuin had een echte waterput, een schaapweiland met stal, een zwembad, een hondenhok, schommels. Het was een waar park, met als noot dat ik parken in steden ken die kleiner zijn. Voor het huis stonden twee andere vrijstaande huizen, in één daarvan woonde een groot gezin. De jongste dochter des huizes werd mijn beste vriendin. Dit was een huis op stand.

Hier kon ik heerlijk spelen. Mijn vader op het werk, die zagen we niet vaak en mijn moeder in de buurt. In het huis was er een enorme speelhoek voor mij ingericht. Heerlijk. En ik was natuurlijk ook veel in de tuin te vinden. Zalig. Ik kan me heel wat avonturen herinneren die ik met mijn belgische vriendinnetje beleefden. Soms ook met haar jongste broer. De meeste van haar broers en zussen waren stukken ouder, dus daar trokken we niet veel mee op. Het was een bijzonder bestaan daar in Everberg. We leefden als vorsten. Er waren bijzondere tuinfeestjes, mijn vader was dol op barbecuen en dat deden we daar dan ook vaak. De buren werden uitgenodigd, vrienden uit nederland kwamen over, familie kwam logeren. Kon allemaal, het huis was groot zat. Fakkels in de tuin. Hangen bij het zwembad. Eten drinken. Laat naar bed.

Mijn vader ging in die tijd ook regelmatig naar Engeland voor zijn werk. In die dagen waren mijn moeder en ik dan alleen. Dan mocht ik bij haar in bed slapen. Wij met zijn twee in dat grote huis op de heuvel te midden van de weilanden.. Soms gingen we ook in de logeerkamer slapen. Een hele grote kamer. Met daarin ook een heel groot tweepersoons bed, net zoals in de ouderlijke slaapkamer. Het had iets heel intiems. Mijn moeder en ik alleen. Samen in huis. Samen in bed. Het onderstreepte mijn moederskindjes status. Ik heb al verteld dat ik een moeilijke eter was, nou als je alleen met je moeder bent, gaat die dus eten bereiden waarvan ze zeker weet dat je het gaat eten. We nuttigden dus voornamelijk eenzijdige maaltijden. Ze hield keurig rekening met wat ik lustte en wat niet. Later heb ik dit bij andere alleenstaande moeders teruggezien. Wat mijn moeder deed is dus echt niet uniek. Door andere tantes werd ik er soms wel op afgerekend, kreeg ik de status van verwend jongetje, omdat ik beperkt was in mijn menu keuze. Merkte zo door de jaren heen dat mijn moeder niet door iedereen op handen gedragen werd. Ook zij had blijkbaar haar minpuntjes.

Op één van die avonden dat mijn vader in het buitenland zat, deed ik iets wat niet zo slim was. Ik had een glas drinken naast mijn bed staan wat ik al liggend wilde pakken. Ik viel uit bed. Glas viel ook. En ik had een wond aan mijn linker wijsvinger. De huisarts was bang dat er nog glas in de wond zat en ik werd geopereerd. Dat was een beleving. Ik was doodsbang. Mijn moeder liet me alleen met allerlei enge kerels en dames met mutsen op en maskers voor. Ik lag op een tafel en er werd een zwarte kap over mijn gezicht gezet, die stonk naar een chemisch goedje. Ik herkende de lucht niet. Een combinatie van ontsmettingsmiddel en iets waarvan ik voelde dat ik het niet moest inademen. Er was een stem die me vertelde dat ik diep moest inademen. Dat deed ik dus niet. Ik gilde. Ik gilde alsof mijn leven er vanaf hing. (mijn moeder vertelde me dat ze me door drie etages heen kon horen gillen, ik had dus echt wel een overtuigend stemgeluid). De stem bleef het maar herhalen. “even diep inademen” NOOIT! Toen ik wakker werd zat mijn linkerhand in een dik verband. Een heel dik verband. Zo dik heb ik het nooit meer gezien. Ook niet tijdens mijn verpleegkundige carrière. Toen het verband er een paar dagen later af mocht, zag ik de drie lieve aantrekkelijke hechtingen zitten in mijn vinger. Ik vond ze fascinerend. (later heb ik mijn teddybeer ook opengesneden en gehecht. Vond het zalig) Je kon er mee spelen, met die drie zwarte touwtjes die uit mijn vinger staken. Er was wel een klein detail: mijn linker wijsvinger stond vanaf dat moment in een hoek van 90graden. Het werd mijn beroemde ‘kromme vinger’. Heb veel massage gehad van een masseur. (nu zou je dat misschien een fysiotherapeut noemen). Pijnlijke massages. Het had weinig nut. Pas toen ik een jaar of twee later weer eens uit bed viel, bleef mijn vinger aan de kast hangen en stond ie iets rechter. Krom is hij nog steeds.

Sinterklaas hebben mijn moeder en ik het jaar in België alleen gevierd. Waar mijn vader was weet ik niet. Ik raakte er aan gewend dat hij er niet was en ik vond het ook fijner zo. Zo had ik mijn moeder voor mezelf alleen. Het was een bijzondere Sinterklaas avond. Veel cadeau’s kan ik me herinneren. Veel warmte ook. Ik kan me de details niet voor de geest halen. Maar het zijn dit soort momenten, dit soort herinneringen die maken dat ik mijn moeder mis. Zij was er. En zij was er voor mij. Met haar liefde. Haar hulp. Haar aandacht. Het zijn ook de momenten zoals wanneer zij met kleding patronen uit magazines op de grond bezig was. En ik er bij zat te spelen en met vol aandacht naar haar handelen keek. Hoe zij op doorzichtig papier de patronen tekende, uitknipte en vast spelde op lappen stof. Stof die vervolgens op maat werd geknipt, door de naaimachine ging en veranderde van een lap in een kledingstuk. Broeken en jasjes werden heel snel gemaakt. En tijdens dit hele proces vertelde ze me verhalen. Over de huisdieren die ze hadden gehad, over familie en over muziek en wat haar nog meer bezig hield. Ja, dat waren mooie en fijne momenten. Ze was gelijk een godin voor mij. De supervrouw die alles wist en mij voor alles beschermde. En alles kon maken wat zij zag.

Zo waren er nog veel meer van die kleine avontuurtjes. Zoals de tochten op woensdag middag naar Den Haag. Waarbij ik wagenziek als ik was, de hele Diane onderkotste. Op de heen en terugweg. Ik zie mijn braaksel nog glijden over de vlakke bodem van de Diane. Van achter naar voor… en natuurlijk miste ik ook mijn kleding nooit. En mijn knuffel dekentje. Er stonden ook altijd emmers in de auto voor mij. Maar toch ging het er vaak naast. Al snel kreeg ik antireisziekpilletjes. Die maakten me duf. Heel duf. En begon ik weer wat bij te komen bij mijn opa en oma, kreeg ik alweer een nieuw pilletje voor de terugreis. Het rijgedrag van mijn moeder was in het dorp ook berucht. Eens was ze nogal hard door de modder gereden met haar Diane, wat resulteerde in een met modder overgoten auto. De keurige dames in het dorp vonden haar sindsdien een autocrosser. Een coureur. Een snelheidsmaniak. Mijn ma!

En dan was er natuurlijk ook school. School was wederom verschrikkelijk. Er was daar een ijzeren discipline waar deze vrijheidsstrijder niet tegen kon. Ik wilde al snel niet meer naar school. Ik kan me herinneren dat er een moment kwam, waarop ik me in de tuin verschool voor mijn moeder. Ik wilde niet naar school. Vandaag niet. Morgen niet. Nooit niet. Met het vertrek terug naar Nederland na de zomervakantie, hield mijn moeder op met mij naar school te slepen. Ik hoefde niet meer. Een overwinning.

Al was het een wrange. Ik zou dit Belgisçhe Paradijs al snel inruimen voor een krap rijtjeshuis domein in Rozenburg…

brussel 1972

foto: Mijn ouders op de vlooienmarkt in Brussel. Als je goed kijkt zie je mijn hoofdje tussen mijn ouders in…

…Mijn eerste Schooldagen…

Nog immer in Den Haag. School! Dat was niet aan mij besteed. School was iets waar ik mijn vrijheid moest inleveren, waar mijn moeder niet mee mocht, mijn speelgoed niet mee mocht en alwaar ik dingen moest doen die ik niet wilde. Wat dat dan was? Geen idee. Volgens mij speelden we daar alleen maar. Maar hoe dan ook, het voelde als een enorme bedreiging van mijn vrijheid.

Eén van de erge dingen die ik moest doen op school was melk drinken. Verplicht. Verschrikkelijk. De melk zat in driehoekverpakkingen, je ziet ze nu niet meer, van die onhandige kartonnen verpakkingen, met een doorprik gaatje voor het rietje. Het was een schoolprogramma vanuit de overheid volgens mij, om de jeugd aan de melk te krijgen. Joris Driepinter, kent u hem nog? Ik deed van alles om dit afgrijselijke vocht maar niet tot me te hoeven nemen. (bij het schrijven krijg ik almeteen die weeïge smaak in mijn mond waar ik toen echt enorm van walgde). Ik liet de pakjes leeglopen in de gootsteen. Dat mocht niet. Ik heb er op gestampt op het schoolplein. Want als deze pakjes leeg waren, kon je ze opblazen, dan ploften ze als je erop sprong. Ik heb dat een keer gedaan met een nog lang niet leeg pakje. Dat plofte ook. Ik zie nog de melk weglopen in de naden tussen de tegels op het schoolplein. Juf boos. Dit mocht dus ook niet.

joris driepinter

 

In de zomer gingen we met school naar Scheveningen. U snapt het wel. Dat wilde ik ook niet. Nog verder weg van moeder en nog meer regels en beperkingen, nee niets voor mij. Ik geloof dat ik ook wat éénkennig was, en de gedachte om verplicht met andere kinderen iets te doen, dat mij dat ook niet echt aantrok. Ik weet het allemaal niet precies meer, maar ik wilde in ieder geval niet mee. Echt niet. Ik brulde. IK WIL NIET. Mijn moeder radeloos. Ik wilde niet de bus in. Want de school had een bus gehuurd om naar scheveningen te gaan. En ik wilde niet. Mijn moeder boos, maar daar was ik niet van onder de indruk. Ook niet van haar argumenten. Ik ging niet! Ik wilde niet! Nooit niet! Totdat de bus de hoek om was. Toen wilde ik wel. Ik voelde dat ik iets misliep wat eigenlijk best leuk was. IK WIL MET DE BUS MEE! En daar volgens de overleving ik een erg overtuigend doordringend stemgeluid had en de gave had om te stoppen met ademhalen en hysterisch te worden als ik mijn zin niet kreeg, werd mijn oom opgezadeld met de grote taak om mij met de tram alsnog naar Scheveningen te brengen. En dat deed hij.

We troffen mijn klasgenootjes in de Scheveningse duinen. Aldaar speelden we, snoepten we en later hadden we ergens een avondmaal. Wat ik natuurlijk niet lekker vond (was als kind hele moeilijke eter). Mijn oom was ondertussen weer naar huis geslopen. Zonder afscheid. Heel verstandig van hem. Of had hij dat nou wel gedaan? Volgens mij niet.

Deze afkeer van school heb ik nog lang volgehouden. Zeker tot een jaar of 22. De afkeer van melk heb ik nog immer. Sommige zaken moet je gewoon bij het oude houden.

Mijn vader vertelde mij ooit, dat de afkomst van mijn klasgenootjes één van de redenen is geweest dat hij uit deze buurt weg wilde. Ik scheen in de klas te hebben gezeten met kinderen van prostitués, pooiers, helers, scharrelaars en voor die tijd had ik ook al de nodige multi culturele vriendjes. Mijn beste vriendje kwam uit Indonesië. Ik was mijn tijd ver vooruit. Ik heb soms het idee dat er in die Haagse periode veel zaadjes zijn gelegd voor hoe ik later ben geworden.

schoolmelk

foto: schoolmelk driehoeksverpakking…trauma trauma trauma.. deze foto komt van internet. is onbekend meisje, ging mij alleen om het pakje melk met rietje.